|
Stelling vragen. Als je paard echt nageeflijk is op twee teugels, is het mogelijk om stelling te vragen zonder de hals te verbuigen, zodat alleen het hoofd naar links of naar rechts kijkt. Pas als je paard dat kan, laat hij echt los in de kaken. Je ziet dan altijd meer oog en neus al sje het paard vraagt opzij te kijken, je ziet minder kaak, en als het écht goed is zie je het ligament onder de manenkam heen en weer springen over de halswervels. Als dit nog niet zo is, houdt dan met je buitenteugel de hals recht, terwijl je met je binnenteugel met je hand van de hals opzij stelling vraagt. Dit houdt je vol tot het paard niet in zijn hals verbuigt, maar in zijn kaak loslaat en alleen het hoofd naar binnen draait. Als je denkt dat het goed is maar je hebt niet op het ligament gelet wat verspringt, vraag dan stelling naar de andere kant. Als het goed is zie je het ligament dan terugspringen. |
|
Wijken voor het been De meeste problemen bij het wijken voor het been ontstaan doordat het paard niet rechtuit meer denkt, maar zelf al opzij gaat. Hierdoor verliest hij zijn balans en gaat hij scheef. Maak er dus een gewoonte van om eerst een rechte middellijn (A-C lijn ) te rijden, waarbij je kijkt of je je hand- en beenhulpen kan weglaten, en pas als je dat kan, ga je wijken. Gaat je paard dan weer scheef, dan rijd je weer een paar passen rechtuit tot je paard weer in balans loopt en dan wijk je weer verder. |
|
Hoe bereik je progressie in een probleem? 1. Analyseer je probleem, wat gebeurt er precies? 2. Kijk welke dingen je nodig hebt om het op te lossen. 3. Ga elk van die dingen afzonderlijk trainen, tot je ze allemaal afzonderlijk onder de knie hebt, voor je ze samenvoegt. |
|
Trainen zonder dwang. Om een paard zich meer bewust te maken van de beweging van zijn achterhand, kun je simpelweg een elastische bandage achter zijn achterhand langs binden. Bevestig deze aan een singeltje of aan een zadel, en longeer het paard ermee. De beweging van de achterbenen zal de bandage verder uitrekken, dus je hoeft hem maar iets op spanning te brengen als je hem vastmaakt. Als het paard dit kent kun je er ook mee rijden. Het zal het paard telkens een kleine herinnering geven aan het beter onderbrengen van het achterbeen, zonder het ergens af te dwingen. |
|
Wanneer een deken na het afspoelen? In deze wisselvallige zomer is het soms moeilijk om te bepalen wanneer je je paard na het rijden of afspuiten nu wel een dekentje op moet doen, en wanneer niet. Wij houden op stal de stelregel aan "waar je stoom ziet, is een deken noodzakelijk". Oftewel: kijk naar je paard en zie je er damp vanaf komen, dan is het temperatuurverschil duidelijk te groot waardoor het paard te snel afkoelt en je kans hebt dat het paard verkleumt of kou vat. Dan is een (fleece) deken noodzakelijk. Slechts bij heel warm weer zul je zien dat er geen damp of stoom van het paard komt, dan is een deken dus ook niet nodig. Trek wel altijd het overtollig vocht van je paard af met een zweetmes, anders heb je kans op rainrot. |
Afwisseling in de training is rijden met je hoofd Om dressuur voor een paard interessant te houden, is het nodig om af te wisselen en niet teveel dezelfde dingen te doen. Vaak denken mensen dat ze afwisselen, omdat ze bijv. twee keer in de week longeren, een keer in het bos rijden, en vier keer in de week dressuur rijden. Maar afwisselen is veel meer dan dat. Als je het echt interessant wilt maken voor je paard, dan moet je zorgen dat je niet in vaste patronen werkt en altijd kleine dingetjes verandert, ook in je dressuurwerk op zich. Ik noem maar een voorbeeld: je doet altijd eerst een stuk stap, dan een stuk draf, en dan de galop. Je paard weet op den duur al precies wat er gaat komen en het wordt dus saai. Natuurlijk moet je eerst losstappen, maar je kunt ook met galopwerk beginnen als paarden daar redelijk goed in zijn, of als je paard juist al aan galop denkt als je door gaat zitten heel veel afwisselen tussen doorzitten en lichtrijden in draf zonder te galopperen, tot hij niet meer verwacht dat er galop komt, en dan juist wel galopperen. In je zijgangen hetzelfde, oefen je zijgangen niet alleen zoals ze in de proefjes gevraagd worden, maar doe bijv. eens een stuk schouderbinnenwaarts op de hoefslag en ga dan door in schouderbinnenwaarts de grote volte op bij B of E, appuyeer naar de hoefslag en ga dan door in renvers (een omgekeerde travers) door de hoeken, kortom: wees inventief!! |
|
|
Plaatsen van de schouders Het is voor de gehele opleiding van het paard en met name voor het rechtrichten bijzonder belangrijk dat je controle hebt over de plaats waar de schouders van het paard zijn ten opzichte van de rest van zijn lichaam. In principe moet het mogelijk zijn om de schouders tussen je twee teugels te verplaatsen, iets naar links of iets naar rechts. Als het paard dat niet kent gaat het vaak een beetje hangen tegen je teugel in. Je leert dit samen door te spelen met stelling. Ga maar eens op een grote volte rijden en vraag in plaats van binnenstelling eens buitenstelling. Als je dit ver genoeg doorvoert komt er een punt waarop je voelt dat het paard de schouder naar binnen gaat verplaatsen om zijn evenwicht te bewaren (het voelt voor jou als naar binnen vallen). Dit kun je zowel in stap, draf als galop proberen. Hiermee leer je je paard eigenlijk dat als je een ophouding maakt op de buitenteugel, het paard zijn schouder en gewicht meer naar binnen moet verplaatsen. Je verkleint die hulpen steeds verder, je begint met overdreven stelling vragen en dan probeer je dat telkens kleiner te doen tot het paard op een halve ophouding het gewicht al wil verplaatsen naar binnen. |
|
Voorbereiding op travers en appuyementen Paarden die nog niet toe zijn aan de hogere oefeningen (of juist wel!) kun je wel al een aantal voorwaarden aanleren die je nodig hebt voor je zijgangen. Het is heel belangrijk dat je paard leert om op de lange zijde gebogen te blijven rond je binnenbeen zonder dat je daar de hele tijd mee moet blijven tikken. Je vraagt dus iets binnenstelling met je binnenhand van de hals en vraagt buiging met je binnenbeen bij de singel. Tik de buik van je been af en doet je paard dat goed door hol te worden in zijn ribben, beloon hem dan door je been weer stil te hangen in die holte, dus niet blijven duwen!! Je paard moet leren dat het pas weer recht mag worden als jij met je buitenteugel en je buitenbeen hem weer recht maakt. Als je paard later weet dat het gebogen moet blijven rond je binnenbeen, wordt het een stuk gemakkelijker om travers en appuyementen aan te leren. Je oefent dit natuurlijk op beide zijden om je paard evenredig te ontwikkelen. |
|
Eenvoudige galopwissels oftewel de overgang galop - stap en stap - galop Friese paarden hebben vaak een grote galop. Het kan dan ook erg functioneel zijn al vroeg te beginnen je paard de overgang stap - galop aan te leren. Omdat je vanuit een langzamer en kleiner tempo aangaloppeert wordt de galop vaak ook veel beter gesloten. Dit doe je door herhaling. Kies een bepaald punt, bijv. terwijl je een volte stapt, waar je wilt aangalopperen. Je zorgt dat je paard goed voor je been is in stap (als je je been aanlegt moet je paard een beetje beginnen dribbelen) en voor een goede nageeflijkheid, waarbij je je paard gesloten laat stappen, dus redelijk verzameld. Dan geef je je hulp voor de galop (buitenbeen naar achteren leggen, je binnenheup naar voren brengen en aandrijven met twee benen) en ook al begrijpt het paard er niets van, je drijft door tot hij in galop is, en dan beloon je hem. Dan maak je rustig een overgang naar de stap en begint overnieuw, waarbij je ervoor zorgt dat je telkens ongeveer op dezelfde plaats de hulp voor galop geeft. Zo gaat het paard het patroon herkennen en steeds sneller aangalopperen. Als je dat beloont zul je zien dat hij redelijk snel begrijpt wat de bedoeling is. Galop - stap vereist veel meer van het paard, je kunt pas een goede galop - stap overgang rijden als je kunt galopperen op "stapsnelheid". Bedenk hoe hard je ongeveer vooruit gaat in stap en probeer je paard zover door te verzamelen tot hij op die snelheid galoppeert. Vaak valt het paard eerst uit de galop (impulsverlies) of loopt het door de hand heen en wil het niet verder doorverzamelen. Als je paard uit de galop valt is het een teken dat het paard tijdens het doorverzamelen niet meer voorwaarts denkt. Maak dan enorm veel kleine overgangen in galop, waarbij je telkens voorwaarts rijdt als je voelt dat het paard niet meer voorwaarts denkt, totdat je paard wel blijft galopperen bij het verzamelen. Loopt je paard door de hand dan is er maar één oplossing: je paard leren beter terug te komen op een ophouding. Dit doe je door als je merkt dat er écht totaal geen reactie meer komt op je ophouding (een kneep in de teugels met je beide handen of je buitenteugel) het paard zo snel mogelijk stil te laten staan. Hiermee vertel je het paard wat het moet doen als jij je vingers dichtknijpt: in tempo terugkomen. Telkens als je paard netjes in tempo terug komt op een ophouding beloon je hem, telkens als hij weer niet reageert zet je hem stil. Hierdoor gaat hij snel de hulp begrijpen. Dit samenspel tussen aan de ene kant kunnen terugverzamelen tot staptempo waarbij het paard constant voorwaarts blijft denken omdat hij een overgang terug naar voren verwacht, en aan de andere kant het terugkomen op een ophouding en daardoor het verplaatsen van gewicht naar de achterhand zorgt samen voor een perfecte galop - stap overgang. Wat misschien nog wel het allerbelangrijkste is is dat je ook de stap tijdens de eenvoudige galopwissel altijd perfect wilt hebben. In je training galoppeer je dus NOOIT eerder weer aan dan dat je paard heel ontspannen en nageeflijk mooi over de rug tactmatig stapt, ook al moet je daarvoor veel langer stappen dan eigenlijk je bedoeling was. Je prioriteit moet altijd liggen bij de kwaliteit van de beweging, en niet bij de snelheid waarmee je weer aangaloppeert. |
|
Een goede dressuurproef begint met het rijden van goede hoeken. Vaak denken mensen wel dat ze goed hun hoeken uitrijden, tot ze gevraagd worden om één keer aan het einde van de lange zijde halt te houden zonder een centimeter naar binnen van de hoefslag te gaan, dus met de neus tegen de wand van de korte zijde maar nog altijd recht op de hoefslag van de lange zijde. Dan blijkt vaak dat het paard zelf al naar binnen valt en helemaal niet zo goed luistert als ze dachten. Hoe komt dit nu? Paarden zijn heel meewerkende dieren maar ook vooral gewoontedieren. Als je dus telkens een wending rijdt op het einde van de lange zijde, dan weet een paard op den duur gewoon niet beter dan dat het de hoek om moet en is het paard zo aardig dat zelf alvast te doen. Niet zo handig, want daardoor kun je geen goede voorbereiding meer maken voor je wending en treedt er vaak balansverlies op doordat het paard niet goed gesteld en gebogen is. Om dit te voorkomen of op te lossen is het dus noodzakelijk om in je training in te lassen dat je niet altijd de bocht in rijdt na de lange zijde of korte zijde, maar ook af en toe een keer halthoudt op het einde van zo'n zijde waarbij het paard perfect aan de wand moet blijven. Als het paard van de hoefslag af valt of doorloopt, zet je het terug op de plaats waar jij wilde stoppen (liefst niet door een volte te draaien maar door terug te laten wijken van je been af naar de wand toe - nb voltes draaien is namelijk een bevestiging van het foute gedrag, het paard wil al afwenden/naar binnen vallen en je gaat daarin mee door een volte te draaien naar binnen). Als je dit een aantal keren herhaalt zul je merken dat je paard veel beter wacht voor de wendiing, je je wending beter kan voorbereiden en door die voorbereiding de stelling, buiging en balans in de wendingen verbeteren. Als dit goed gaat in stap doe je dit vervolgens ook in draf, merk je dat het paard de wending in wil vallen dan neem je het terug naar stap en houd desnoods weer halt, totdat het paard ook in draf perfect rechtdoor blijft gaan tot je zelf de wending in rijdt met stelling en buiging. Uiteindelijk kun je dat ook nog in galop doen, het zal de controle die je hebt over je paard verbeteren en met name de balans. |
|
Met goede voornemens het nieuwe jaar in? Heb jij ook zo'n zin in het nieuwe jaar en ben je echt van plan dit jaar te gaan knallen op wedstrijden? Houd dan vanaf nu als één van je goede voornemens een logboek bij, waarin je bijhoudt hoe je trainingen gingen, wat er beter kon, wat goed ging, welke oefeningen je gedaan hebt en wat je voor de volgende keer moet onthouden. Zo krijg je een heel overzicht van je trainingsverloop en kun je in de toekomst als het rijden even iets minder gaat, kijken wat je in de periode ervoor gedaan hebt en zo steeds beter erachter komen wat voor je werkt en wat niet. Ook op de wedstrijd zelf kun je bijhouden hoe allles verliep en wat het uiteindelijke resultaat was. Zo kom je erachter wat voor jou werkt en wat niet. Moet je bijv. heel vroeg vertrekken of juist niet, moet je je afsluiten van andere mensen of juist met iedereen kletsen, moet je lang losrijden of juist heel kort, al die dingen samen gaan bepalen of jij echt lekker gereden hebt of niet. Als je dit bij gaat houden kun je wel eens versteld staan van de uitkomst, het is niet altijd wat je verwacht! |
|
|